Protestantse Kerk Bloemendaal-Overveen

  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Protestantse Gemeente te Bloemendaal en Overveen

ContactSite mapHelp
Home Columns en preken Ditsy van Houwelingen

Zeven dagen en zeven nachten


bleven zijn vrienden naast hem op de

grond zitten zonder iets tegen hem te

zeggen, want ze zagen hoe vreselijk hij

leed.(Job 2:13)

Het verhaal van Job is bekend. Hij is een vrome en rechtvaardige man met veel bezittingen. Volgens Satan is Job godsvruchtig doordat het hem zo goed gaat. Hij wil het tegendeel bewijzen en na overleg met God mag Satan met Job doen wat hij wil. Vervolgens wordt Job door de ene na de andere rampspoed getroffen. Zijn vee wordt geroofd en gedood, zijn kinderen komen om en nog zegt hij: “De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij geprezen.”(Job1:21). Dan wordt Job ziek, zijn lijf is met zweren bedekt en dit komt zijn vrienden ter ore. Ze gaan op weg om hem te troosten. Hoe doen ze dat? Door naast hem te gaan zitten en niets te zeggen.

Bij hun zwijgen wil ik stil staan. Ik denk dat velen hier iets van herkennen. Immers: het ontbreekt veel mensen aan woorden als ze van iemand horen dat hij of zij een ernstige ziekte heeft. Ze praten wel met anderen over de zieke, maar niet of nauwelijks met hem of haar, waardoor deze zich eenzaam voelt en onbegrepen. Liever dat ze zeggen, dat ze niet weten wat ze moeten zeggen, dan dat ze helemaal niets zeggen. Er zijn echter ook mensen, die zo bang zijn voor de stilte dat ze te veel zeggen. Ze komen met goedbedoelde adviezen en raden de zieke aan vooral positief te denken of ze wijzen hem of haar op zijn of haar ongezonde gedrag van vroeger. “Het komt misschien wel doordat…”, zeggen ze dan en ze lijken meer te weten dan de behandelend arts.

Daarom vind ik wat de vrienden van Job doen zo mooi. Ze gaan naast hem zitten en ze lijden met hem mee en ze doen dat zonder ook maar iets te zeggen. Ik kan me indenken hoe troostend dat is, dat je, als je ziek bent en je af en toe je ogen opslaat, ziet dat je vrienden er zitten met wie je zoveel lief en leed gedeeld hebt.

Hadden ze het daar maar bij gelaten. Na een week nemen ze om de beurt het woord en ze leggen Job uit dat hij zijn lijden aan zichzelf te danken heeft. Hij heeft ooit iets gedaan waar hij voor gestraft wordt, zo is hun overtuiging. Hun zwijgen was troostvoller dan hun spreken. Misschien heeft de vader van Judith Herzberg een voorbeeld genomen aan de vrienden van Job en heeft hij zijn zieke dochter meer gegeven dan ze vermoedde. Doordat ze een gedicht schrijft over deze situatie geeft ze hem volgens mij gelijk.


Ziekenbezoek

Mijn vader had een lang uur

zitten zwijgen bij mijn bed.

Toen hij zijn hoed had opgezet

zei ik, nou, dit gesprek

is makkelijk te resumeren.

Nee, zei hij, nee toch niet

,je moet het maar eens proberen.

Beemdgras (1968) van Judith Herzberg (1934)


Ditsy van Houwelingen

Laatst aangepast ( dinsdag 28 februari 2012 17:05 )
 

Overdenking

De maan is opgekomen.
De aarde ligt in dromen.
De nacht is stil en klaar.
De donkre bossen zwijgen
en van de beemden stijgen
de nevels wit en wonderbaar.

De wereld die verstilde
en zich in schemer hulde,
wordt inniger vertrouwd
en houdt u zo geborgen,
dat gij verdriet en zorgen
van heel de dag vergeten zoudt.

Liedboek voor de Kerken gezang 391

Sommige mensen delen het leven in in seizoenen. De kindertijd zien zij als de lente van het bestaan, de volwassen-

heid als de zomer en de ouderdom als de herfst. Anderen gebruiken dagdelen om te omschrijven waar ze zich in hun leven bevinden. De morgen staat dan voor de tijd dat zij klein waren, de middag voor hun werkzame leven en de avond voor de ouderdom.

De dichter van gezang 391 verwoordt het vallen van de avond en ziet dit niet als iets angstigs of engs, maar als een moment waarop de wereld meer geborgenheid en vertrouwdheid uitstraalt. Doordat in de herfst de dagen korter worden en het soms mistig is en er in het lied sprake is van nevels, associeer ik het niet alleen met de avond, maar ook met de herfst, want vaak kunnen we dan de maan eerder zien. Het besef dat de zomer voorbij is en de bomen hun bladeren verliezen, kan weemoedig  maken, doordat het lijkt alsof er van alles verdwijnt. Daar is tegen in te brengen dat we in deze periode zoveel kunnen oogsten. Er zijn weer  verse appels, peren en noten en er groeien prachtige paddenstoelen.

Wat mij aanspreekt in het lied is, dat de nacht 'stil en klaar' wordt genoemd en

niet als bedreigend en zorgwekkend wordt gezien. Als de wereld zich in schemer hult, zie je minder van de omgeving en daardoor richt je aandacht zich op wat dichtbij is en besef je de waarde van wat je om je heen ziet. Ik vind dit een mooie gedachte. Velen zijn als kind bang geweest  voor het donker en zijn dat misschien nog steeds.

Zo zijn veel mensen ook bang voor de nacht van het einde van hun leven. Wie in de herfst van het leven is aangeland of aan de avond van zijn bestaan staat, kan vrezen voor wat gaat komen, voor de winter of de nacht.

Als de woorden van het lied betrekking hebben op ons leven, dan kunnen we er misschien uit opmaken dat er in de herfst van het bestaan een gevoel van geborgenheid en vertrouwdheid groeit, dat ons helpt het verdriet en de zorgen van de dag, het leven dat achter ons ligt, te vergeten en ons moed geeft om de nacht, die ons te wachten staat, aan te kunnen.

In het najaar worden we herinnerd aan de vergankelijkheid van het bestaan en mede daarom gedenken we in de maand november zowel in de kerk als in de verpleeg- en verzorgingshuizen  de overledenen. Hun namen noemen wij in het besef dat we niet 'uit ons bestaan vallen dan in Gods hand' (Ad den Besten).

Ditsy van Houwelingen

Laatst aangepast ( zondag 27 november 2011 21:36 )
 

Overdenking

De Heer is onze reisgenoot,
Hij die ons zijn gezelschap bood
en sprekend over kruis en graf
geduldig tekst en uitleg gaf.

Zo valt een lange weg ons licht,
de Schrift opent een vergezicht
en brengt verdwaalden dicht bij huis,
verloren zonen komen thuis.

De avond daalt, blijf bij ons Heer!
Hij zet zich aan de tafel neer
en breekt het brood en schenkt de wijn,
die gast, het moet de Gastheer zijn!

Wij keren naar Jeruzalem,
ons brandend hart verneemt zijn stem,
Hij deelt met ons het daaglijks brood,
de Heer is onze reisgenoot.

Liedboek voor de kerken, gezang 73

Jaap Zijlstra dichtte dit lied over de Emmaüsgangers. Het is één van mijn lievelingsverhalen uit de Bijbel. Twee mannen zijn verdrietig en teleurgesteld, doordat alles heel anders gegaan is dan ze hadden gedacht en gehoopt. Door het sterven van Jezus lijkt de toekomst afgesloten en daarom keren ze terug naar wat hen met vroeger verbindt en zijn ze op reis naar hun eigen dorp. Zo gaat dat– denk ik – vaak met mensen die verdriet hebben. Voor hun gevoel is de toekomst zinloos geworden en daarom wenden ze zich naar het verleden. Vaak lijkt het alsof voor iedereen het leven gewoon verder gaat, maar voor degene die iemand verloren heeft, ligt dat heel anders en dat maakt eenzaam. 'Niet het scheiden doet zo’n pijn, maar het afgesneden zijn' is niet voor niets een vaak geciteerde dichtregel van Vasalis. 

Wanneer er zich een reisgenoot bij hen voegt, die aandachtig luistert en begrip toont, is dat voor de mannen op weg naar Emmaüs een verademing. Wie merkt dat er echt naar hem of haar geluisterd wordt, voelt zich gekend en dat geeft kracht.
De mannen luisteren ademloos naar wat de vreemdeling hen uitlegt en eenmaal bij hun huis aangekomen vragen ze hem mee naar binnen, want 'het is avond en de nacht zal komen'. Ze nodigen hun reisgenoot aan tafel en bij het breken van het brood, worden hun ogen geopend.

Ze waren ziende blind geweest en horende doof. Opeens weten ze dat Jezus in hun midden is, dat hun leven zin heeft en dat er voor hen een toekomst is. Ze beseffen dat ondanks alles wat er gebeurd is, Jezus hun reisgenoot is en blijft en dat ze opgewekt naar Jeruzalem kunnen gaan. Okke Jager zegt over de Emmaüsgangers dat ze twee keer wakker worden. Ze hebben 's morgens hun ogen geopend, maar waren misschien liever blijven slapen, doordat de werkelijkheid te leeg en te zwart was om onder ogen te zien. Omdat Jezus met hen meeloopt en het brood breekt, wordt niet opeens alles anders, maar zien ze alles anders. Hun leven komt in een ander licht te staan, in het licht van Christus. Met Pinksteren vieren we de uitstorting van de Heilige Geest en ik denk eigenlijk dat wij daardoor Emmaüsgangers worden of beter gezegd Jeruzalemgangers, want ook wij worden opgewekt om te leven.

Ditsy van Houwelingen

Laatst aangepast ( zondag 27 november 2011 21:35 )
 

Overdenking

Waarom moest ik uw stem verstaan?
Waarom, Heer moet ik tot U gaan
zo ongewende paden?
Waarom bracht Gij
die onrust mij
in 't bloed is dat genade?

Gij maakt mij steeds meer vreemdeling.
Ontvreemdt Ge mij dan, ding voor ding,
al 't oude en vertrouwde?
O blinde schrik,
mijn God, mag ik
niet eens mijzelf behouden?

Want ik zie voor mij kruis na kruis
mijn weg langs en geen enkel huis
waar ik nog rust zou vinden.
Kom ik zo echt
bij U terecht,
ben ik wel uw beminde?

Spreek Gij dan in mijn hart en zeg,
dat het zo goed is, dat die weg
ook door uw Zoon gegaan is,
en dat uw land
naar alle kant
niet ver bij mij vandaan is.

(liedboek voor de kerken gezang 484 vs1)

Onlangs heb ik de film Des Hommes en des Dieux van Xavier Beauvois gezien en deze heeft om verschillende redenen veel indruk op me gemaakt. De film toont het waargebeurde verhaal over het leven van een kleine Cisterciënzer kloostergemeenschap in het Atlasgebergte in Algerije in de jaren negentig van de vorige eeuw. We zien hoe acht monniken wonen en werken en welke rol zij spelen in het dagelijkse leven van het naburige dorp met bewoners, die Moslim zijn. Hun leven wordt gekenmerkt door de vieringen in de kloosterkapel en door hun arbeid zowel binnen als buiten het klooster.

Hun vanzelfsprekende spiritualiteit en hun levensritme hebben iets aantrekkelijks door de heldere dagindeling, maar dan wordt de rust gewelddadig verstoord. De monniken komen in een hachelijke positie terecht door de burgeroorlog, die ontstaan is tussen fundamentalistische Moslimrebellen en regeringstroepen. Eén van de monniken die arts is, heeft een gewonde rebel medische hulp verleend en daardoor wordt de achterdocht van de gezagsdragers gewekt.

De kloosterlingen slaat de angst om het hart. ‘Ik ben geen monnik geworden om de marteldood te sterven’, zo zegt één van hen vertwijfeld. Ze overleggen in een aantal gesprekken of ze zullen blijven of weg zullen gaan. De dorpelingen drukken hen op het hart dat ze hen nodig hebben. Na veel wikken en wegen en innerlijke tweestrijd van sommigen van hen besluiten ze hun klooster niet te verlaten.

Hoewel dit voor de meesten uiteindelijk niet goed afloopt, vertelt de film toch een bemoedigend verhaal. Hij leert ons hoe zwaar een roeping kan zijn en hoe moeilijk het is om te weten te komen wat de bestemming van je leven is. Doordat er getuige van te zijn hoe de monniken stuk voor stuk twijfelen, dubben, aarzelen en weifelen, ontdek je dat geloof het leven niet eenvoudig maakt. (Waarom moest ik uw stem verstaan) De monniken komen tot hun besluit door - als ze alleen zijn - te bidden, samen de getijdendiensten te vieren en in gesprekken goed naar elkaar te luisteren.

Voor zover ik weet zijn er maar weinig mensen, die de stem van God of van Jezus letterlijk gehoord hebben. Ik denk dat geloven een zoektocht is waarbij je anderen nodig hebt.

Ditsy van Houwelingen

Laatst aangepast ( zondag 27 november 2011 21:34 )