De maan is opgekomen.
De aarde ligt in dromen.
De nacht is stil en klaar.
De donkre bossen zwijgen
en van de beemden stijgen
de nevels wit en wonderbaar.
De wereld die verstilde
en zich in schemer hulde,
wordt inniger vertrouwd
en houdt u zo geborgen,
dat gij verdriet en zorgen
van heel de dag vergeten zoudt.
Liedboek voor de Kerken gezang 391
Sommige mensen delen het leven in in seizoenen. De kindertijd zien zij als de lente van het bestaan, de volwassen-
heid als de zomer en de ouderdom als de herfst. Anderen gebruiken dagdelen om te omschrijven waar ze zich in hun leven bevinden. De morgen staat dan voor de tijd dat zij klein waren, de middag voor hun werkzame leven en de avond voor de ouderdom.
De dichter van gezang 391 verwoordt het vallen van de avond en ziet dit niet als iets angstigs of engs, maar als een moment waarop de wereld meer geborgenheid en vertrouwdheid uitstraalt. Doordat in de herfst de dagen korter worden en het soms mistig is en er in het lied sprake is van nevels, associeer ik het niet alleen met de avond, maar ook met de herfst, want vaak kunnen we dan de maan eerder zien. Het besef dat de zomer voorbij is en de bomen hun bladeren verliezen, kan weemoedig maken, doordat het lijkt alsof er van alles verdwijnt. Daar is tegen in te brengen dat we in deze periode zoveel kunnen oogsten. Er zijn weer verse appels, peren en noten en er groeien prachtige paddenstoelen.
Wat mij aanspreekt in het lied is, dat de nacht 'stil en klaar' wordt genoemd en
niet als bedreigend en zorgwekkend wordt gezien. Als de wereld zich in schemer hult, zie je minder van de omgeving en daardoor richt je aandacht zich op wat dichtbij is en besef je de waarde van wat je om je heen ziet. Ik vind dit een mooie gedachte. Velen zijn als kind bang geweest voor het donker en zijn dat misschien nog steeds.
Zo zijn veel mensen ook bang voor de nacht van het einde van hun leven. Wie in de herfst van het leven is aangeland of aan de avond van zijn bestaan staat, kan vrezen voor wat gaat komen, voor de winter of de nacht.
Als de woorden van het lied betrekking hebben op ons leven, dan kunnen we er misschien uit opmaken dat er in de herfst van het bestaan een gevoel van geborgenheid en vertrouwdheid groeit, dat ons helpt het verdriet en de zorgen van de dag, het leven dat achter ons ligt, te vergeten en ons moed geeft om de nacht, die ons te wachten staat, aan te kunnen.
In het najaar worden we herinnerd aan de vergankelijkheid van het bestaan en mede daarom gedenken we in de maand november zowel in de kerk als in de verpleeg- en verzorgingshuizen de overledenen. Hun namen noemen wij in het besef dat we niet 'uit ons bestaan vallen dan in Gods hand' (Ad den Besten).
Ditsy van Houwelingen


