Het kan u niet ontgaan zijn. Het is zomer. We bekijken het leven van de zonnige kant. Vergeten zijn witte wintertaferelen, herfststormen, droge lente. Het is een tijd van zon, vakantie, even minder druk zijn. Het kan ook een periode van leegte betekenen als mensen wat minder om je heen zijn, omdat ze tijdelijk gevlogen zijn.
Het is een tijd van rijping, van de vruchten plukken. Wij beleven dat alleen zo in onze tuinen, maar in de supermarkt kan je het hele jaar de wereldzomeroogst binnenhalen.
Kan de zomer ook een moment zijn van geestelijke rijkdom?
In bijbelse geschriften duikt het woord ‘zomer’ ook op als het gaat om de oogst. Geen wonder, de bijbel heeft een agrarische context. Spreuken 20:4 gaat als volgt: “Een luiaard ploegt niet in de herfst, en vraagt zich in de zomer af waarom hij niet kan oogsten.” De zomer is in de bijbel ook een tijd van hitte (zie Job 6:17).
In het tweede testament komt het woord ‘zomer’ alleen maar in een gelijkenis voor. Die van de vijgenboom. Je bewust worden van de toekomst, van de laatste dingen, het eschaton, het komende koninkrijk. In die parabel krijgt zomer zo een extra dimensie. We horen het terug in drie evangeliën (Matteüs, Marcus en Lucas). “Leer van de vijgenboom deze les: zo gauw zijn takken uitlopen en in blad schieten, weet je dat de zomer in aantocht is. Zo moeten jullie ook weten, wanneer je die dingen ziet gebeuren, dat het einde nabij is” (Marcus 13:28). Dat ‘einde’ mag in dit geval positief geduid worden, anders dan we vandaag in onze taal zouden vermoeden.
In de literatuur van gezangen en andere kerkelijke liedjes van zomers verlangen is vooral die laatste notie te vinden. U kent ongetwijfeld ‘Eens komt de grote zomer’ (liedboek gezang 288). Hans Mudde dicht, ongetwijfeld naar dit evangelie, in een ander lied, buiten wat wij doorgaans zingen in de kerk:
Wanneer weer de boom der vijgen
zacht gezien wordt in zijn hout
en in bladeren en twijgen
weer zijn groeikracht wordt aanschouwd,
zo is dat voor ons een teken:
zie, de zomer is nabij.
En zo weten wij het zeker:
eens verschijnt Gods heerschappij.
En wat dacht u van dit gelovige gezang?
De zomer is gekomen,
het leven staat gesierd,
het hoogtij onzer dromen
wordt eindelijk gevierd.
Al wat in knop geloken
de lieve lente lang
gerijpt heeft bloeit nu open,
voor wind noch winter bang.
Als je die drie liederen met elkaar vergelijkt, zie je in een notendop hoe mensen kunnen weglopen met een bijbelverhaal, net zoals wij de zomer allemaal weer anders beleven. Spannend die zomer, spannend boek, die bijbel. Nu nog zorgen dat we daar ergens op een lui terrasje over in gesprek komen of dat we samen wat gaan zingen. Dat mogen dan liedjes van verlangen zijn. Dan maar hopen dat we elkaar ook nog begrijpen. Gelukkig is het Pinksteren geweest. Een mooie zomer gewenst!
Otto Sondorp


