Protestantse Kerk Bloemendaal-Overveen

  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Protestantse Gemeente te Bloemendaal en Overveen

ContactSite mapHelp
Home Columns en preken Teunard van der Linden

Nieuwjaar!

Blijf niet staren op wat vroeger was.
Sta niet stil in het verleden.

Ik, zegt Hij, ga iets nieuws beginnen -
het is al begonnen, merk je het niet?

(Huub Oosterhuis, bij Jesaja 49:18-19)

Bij het woord 'staren' moet ik altijd denken aan een vis die wij hadden. Ik zal hem gekocht hebben vanwege zijn bijzondere naam, met theologische potentie: hemelkijkertje. Het beest, dat overigens geen lang leven beschoren was door een overijverige huisgenoot die meende met een beetje chloor het beste resultaat te behalen, had opvallende ogen. Hetgeen te verwachten is bij zo'n naam. Het beest keek niet recht voor zich uit, maar omhoog. Wie in de kom keek, had meteen oogcontact. In mijn herinnering botste hij geregeld tegen iets op. Maar dit kan ook op fantasie berusten. Hoe dan ook, staren deed hij. Om tureluurs van te worden.

Bij het verhaal over Jezus' hemelvaart staat ook de vraag: Wat staren jullie naar de hemel, Galilese mannen? De profeet Jesaja gebruikt het woord met betrekking tot het verleden. Dat levert op de drempel van een nieuw jaar een aansprekende tekst aan als rite de passage: Blijf niet staren op wat vroeger was! En of dat nog niet genoeg is: Sta niet stil in het verleden. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Wij hangen aan het verleden en hebben moeite met verandering. In het dagelijks leven, als de kinderengroot worden en uitvliegen, als een dierbare overlijdt, anyway.

In de kerk is 'blijven staren op wat vroeger was' niet minder de praktijk bij lastige gesprekken en ingrijpende besluiten van verandering. Was het nog maar zoals vroeger. Weemoed kan ons een warm gevoel geven, maar is, als we de profeet mogen geloven, per slot van rekening een blok aan ons been. Want de tijd gaat verder. Maar dat is slechts een dun aftreksel van wat de profeet zegt. Het is niet de tijd die verder gaat, maar de Heer, die zijn geschiedenis van heil met ons voortzet op nieuwe wijze. Hij gaat ons voor de toekomst in, het leven door, op weg naar een nieuw begin.

Mijn onfortuinlijke hemelkijkertje heeft reeds lang het tijdelijke met het eeuwige ingewisseld, maar ik geloof niet dat de profeet het hiernamaals in gedachten heeft. Het nieuwe dat God brengt is wel 'van eeuwigheid' (in kwaliteit), maar bedoeld voor het hier en nu, als troost en motor van verandering en dynamiek. Daarbij past geen staar of weemoed. Bij de uittocht weigerde het volk ook al eens in de toekomst te geloven en keerde het liever terug naar 'de vleespotten van Egypte'. Toen was God wel een beetje kwaad op zijn volk. Kwaad en beledigd. Merk je het niet? is de vraag!

Om God te volgen op zijn weg moet je attent zijn, wakker en alert. Navolging is geen sinecure en niet iets voor luie mensen. De toekomst begint waar wij de vraag van de profeet bevestigend beginnen te beantwoorden…

Teunard van der Linden

Laatst aangepast ( zondag 01 januari 2012 18:07 )
 

Beth-El

De verhalen over aartsvader Jakob blijven verbazen. Hoe kan juist hij, dief en balling, drager worden van de zegen? Gods wegen zijn niet onze wegen. Misschien geloven wij wel bij de gratie van de verrassing. Verrast wordt Jakob in het vroegere Luz. Het grensplaatsje van het beloofde land. Jakob is er naar toe gevlucht, op zijn vlucht naar Haran. Daar was een deel van de familie blijven wonen. En van je familie moet je het hebben. Aldus is Jakob op weg. Met een hart vol angst en zorg, schuld en wroeging. Hoe kan hij Ezau en Izak nog onder ogen zien? Bovendien is hij moe. Hij neemt een steen als kussen en valt uitgeput in slaap.

Dan droomt hij. Over engelen. Op de zondagschool leerde ik, dat ze van boven naar beneden neerdaalden. Uit de hemel naar de aarde. Natuurlijk. Maar de Hebreeuwse tekst spreekt verrassend over 'up and down': engelen klimmen langs de ladder die Jakob ziet 'naar boven en naar beneden'. Kennelijk zijn er ook aardse engelen. Mensen die een engelendienst bewijzen, door geduldig te waken over elkaar, als mantelzorger, moeder, leraar, enzovoorts…

Een tweede verrassing is dat de tekst allerminst zeker is over de plaats waar God Zelf zich bevindt in Jakobs droom. Een aantal teksten houdt het op 'en boven aan de ladder stond Adonai'. Sommigen vinden dat de beste plek voor God: hoog in de hemel, onwrikbaar verheven. Noem het een metafysisch godsbesef. Er zijn echter ook handschriften, zoals een oude Engelse versie, die spreken van Gods aanwezigheid 'naast bij' Jakob. God niet als de Verhevene, maar als de Nabije. Noem het een immanent godsbesef: de Ene die met ons is, zoals met Jakob, als Vriend. 

Hoe dit ook zij, Jakob roept het uit van verbazing en verrukking als hij ontwaakt: 'de Heer is aan deze plaats, en ik wist het niet!' Om aan zijn ervaring vast te houden (anderen branden een kaars, zetten bepaalde muziek op, of 'gedenken' op andere wijze), neemt Jakob de steen die onder zijn hoofd lag, giet er olie over uit en noemt die plaats Beth-El: 'huis van God'. 'Dit is niet anders dan de poort van de hemel', gonst er door zijn gedachten. Onverwachts wordt hij zo in Beth-El gezegend. Op de grens van het beloofde land. Met een toekomst vol onzekerheid in het verschiet.

Hij zal later nog een aantal keer in Beth-El terugkeren. Het wordt tot een plaats in zijn leven. Op de grens van Israël. Wezen van de zegen is, dat zij geen bezit is. De zegen wil doorgegeven worden. De locatie van Beth-El herinnert aan de volken, aan wie de God van Israël zich de Nabije zal tonen. En wij? Wij mogen bloemen op ons pad en engelen op onze wegen vinden, zoals de dichter van Psalm 91 zegt. De droom over God die met ons zijn zal, is nog lang niet uitgedroomd...

Teunard van der Linden

Laatst aangepast ( zondag 27 november 2011 21:36 )
 

De haan kraait dat de dag begint (Gezang 371)

Veel kerktorens in ons land zijn getooid met een drievoudige spits: een haan, een kruis en een bol. De symboliek hiervan laat zich raden: op aarde staat het kruis opgericht, waarvan de haan in alle windstreken de werkelijke betekenis uitroept.

Aan het winkelende publiek en de bewoners van het rusthuis. Aan de voorbijsnellende motorrijder en de eerste toeristen die zich op het terras wagen.

Minder eenduidig is, waarom juist voor de haan de rol van 'heraut van het leven' is weggelegd. Associëren wij de haan niet eerder met de lijdensgeschiedenis?  Bij de verloochening van Petrus kraait een haan. Desondanks is Petrus haantje de voorste gebleven en is boven menig calvinistisch godshuis misschien wel een rooms vleugje blijven hangen.

Laten we nog even teruggaan naar het evangelie. Daarin is de joodse dagindeling van belang. Jezus' opstanding had plaats zeer vroeg in de morgen, 'bij het hanengekraai'. 'Tegen het aanbreken van de eerste dag der week' gaan de vrouwen op weg naar het graf, waar zij de Levende vergeefs onder de doden zoeken. Het lied van Prudentius zingt:

Ja, dit is onze zekerheid, dat Christus deze stille tijd
bij 't luide kraaien van de haan uit 't rijk des doods is opgestaan.

Het verband tussen de opstanding en het hanengekraai wordt hier helder gelegd:

'De haan kraait dat de dag begint, het licht het duister overwint'/ 'Ons die het diepe duister dekt … ons wekt hij op om op te staan: Ontwaak, ontwaak, de dag breekt aan!'

In de latere iconografische ontwikkeling symboliseert de haan ook Christus zelf, in wie de nieuwe dag van Gods rijk is aangebroken.

Bij de opstanding gaat Hijzelf als de dageraad op over de wereld als 'Zonne der gerechtigheid'. Hij is het licht der wereld. De haan daarboven roept, al dan niet verguld, in alle windstreken Gods genade uit over al wat leeft en spoort ons aan nu ook te wandelen in het licht.

Pasen is het feest van de gemeente en het feest van de wereld, die voorgoed gekend wordt in de liefde van God als haar dragende grond.

Wie wil geen paasganger zijn?

Teunard van der Linden

Laatst aangepast ( zondag 27 november 2011 21:34 )