Protestantse Kerk Bloemendaal-Overveen

  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Protestantse Gemeente te Bloemendaal en Overveen

ContactSite mapHelp

Beth-El

De verhalen over aartsvader Jakob blijven verbazen. Hoe kan juist hij, dief en balling, drager worden van de zegen? Gods wegen zijn niet onze wegen. Misschien geloven wij wel bij de gratie van de verrassing. Verrast wordt Jakob in het vroegere Luz. Het grensplaatsje van het beloofde land. Jakob is er naar toe gevlucht, op zijn vlucht naar Haran. Daar was een deel van de familie blijven wonen. En van je familie moet je het hebben. Aldus is Jakob op weg. Met een hart vol angst en zorg, schuld en wroeging. Hoe kan hij Ezau en Izak nog onder ogen zien? Bovendien is hij moe. Hij neemt een steen als kussen en valt uitgeput in slaap.

Dan droomt hij. Over engelen. Op de zondagschool leerde ik, dat ze van boven naar beneden neerdaalden. Uit de hemel naar de aarde. Natuurlijk. Maar de Hebreeuwse tekst spreekt verrassend over 'up and down': engelen klimmen langs de ladder die Jakob ziet 'naar boven en naar beneden'. Kennelijk zijn er ook aardse engelen. Mensen die een engelendienst bewijzen, door geduldig te waken over elkaar, als mantelzorger, moeder, leraar, enzovoorts…

Een tweede verrassing is dat de tekst allerminst zeker is over de plaats waar God Zelf zich bevindt in Jakobs droom. Een aantal teksten houdt het op 'en boven aan de ladder stond Adonai'. Sommigen vinden dat de beste plek voor God: hoog in de hemel, onwrikbaar verheven. Noem het een metafysisch godsbesef. Er zijn echter ook handschriften, zoals een oude Engelse versie, die spreken van Gods aanwezigheid 'naast bij' Jakob. God niet als de Verhevene, maar als de Nabije. Noem het een immanent godsbesef: de Ene die met ons is, zoals met Jakob, als Vriend. 

Hoe dit ook zij, Jakob roept het uit van verbazing en verrukking als hij ontwaakt: 'de Heer is aan deze plaats, en ik wist het niet!' Om aan zijn ervaring vast te houden (anderen branden een kaars, zetten bepaalde muziek op, of 'gedenken' op andere wijze), neemt Jakob de steen die onder zijn hoofd lag, giet er olie over uit en noemt die plaats Beth-El: 'huis van God'. 'Dit is niet anders dan de poort van de hemel', gonst er door zijn gedachten. Onverwachts wordt hij zo in Beth-El gezegend. Op de grens van het beloofde land. Met een toekomst vol onzekerheid in het verschiet.

Hij zal later nog een aantal keer in Beth-El terugkeren. Het wordt tot een plaats in zijn leven. Op de grens van Israël. Wezen van de zegen is, dat zij geen bezit is. De zegen wil doorgegeven worden. De locatie van Beth-El herinnert aan de volken, aan wie de God van Israël zich de Nabije zal tonen. En wij? Wij mogen bloemen op ons pad en engelen op onze wegen vinden, zoals de dichter van Psalm 91 zegt. De droom over God die met ons zijn zal, is nog lang niet uitgedroomd...

Teunard van der Linden

Laatst aangepast ( zondag 27 november 2011 21:36 )