Stichting Kerk zonder Grenzen gaf de opdracht aan het Kaski: doe voor ons eens onderzoek naar de spiritualiteit van dertigers en veertigers. En misschien hebben jullie ook nog een paar aanbevelingen. Het resultaat is een boeiend rapport, waaruit breder te leren valt. Dertigers en veertigers met hun volle agenda’s, haast en ‘keuzestress’: wie kent ze niet? De vraag is hoe op hun religieuze behoefte kan worden ingespeeld.
door Teunard van der Linden
Het Kaskirapport onderscheidt op basis van gegevens van het bekende (langjarige) onderzoek God in Nederland bij het religieuze profiel van dertigers en veertigers in Nederland vier categorieën: de groepen ‘kerkelijk gelovig’, ‘niet kerkelijk, sterk gelovig’, ‘niet-kerkelijk, enigszins gelovig’ en ‘niet-kerkelijk, niet gelovig’. In aantallen uitgedrukt omvatten deze groepen 1,6 miljoen, 700 duizend, 645 duizend en 2 miljoen personen. Het onderzoek focust op de tweede groep, die voor Kerk zonder grenzen als tertiaire organisatie (daarover straks meer) het meest interessant is.
Kenmerken
Over de niet-kerkelijk, sterk gelovige dertigers en veertigers valt een aantal interessante onderzoeksgegevens te melden. Opvallend is dat de groep voor 65% uit vrouwen bestaat; bij zowel de agnostische als atheïstische groep (de categorieën 3 en 4) is dit 43%. Opvallend is ook verwantschap met het boeddhisme bijna vier keer zo hoog scoort als verwantschap met het Jodendom. Onder kerkelijk gelovigen ligt deze verhouding omgekeerd en scoort het boeddhisme slechts 4%. Bijna de helft van referentiegroep niet kerkelijk, sterk gelovig is afkomstig uit de RKK. Ruim een kwart is voormalig PKN. Ruim driekwart van de beoogde groep is dus afkomstig uit de kerken. Van actieve betrokkenheid is echter geen sprake meer. Een op vijf komt soms nog in de kerk, 58% nooit. De kerk is voor deze groep slechts in zeer beperkte mate een bron van inspiratie, concludeert het rapport. In cijfers uitgedrukt geeft 86% van de niet kerkelijk, sterk gelovigen de kerk een onvoldoende, waar agnosten nog met 42% en atheïsten met 29% waardering hebben voor het aanbod van de kerk. De referentiegroep bestaat uit ‘religieuze doe-het-zelvers’, die de kerk niet al te hard nodig heben, ook niet voor invulling van de eigen rituelen.
Religieus gedrag
Beduidend hoger liggen de scores bij vragen naar religieus gedrag. Waar niet-gelovigen met 74% nooit bidden, bidt 76% van de referentiegroep een keer per week (28%) of zelfs een of meer keer per dag (49%). Deze score wijkt niet af van de kerkelijk gelovige groep. Voor de referentiegroep vormt bidden een verrassend frequente vorm van inkeer en bezinning. Bij het onderdeel Bijbelgebruik liggen de percentages beduidend lager. Lezen kerkelijk gelovige dertigers en veertigers voor 46% regelmatig in de Bijbel, bij de referentiegroep is dit slechts 6%; 15% leest nooit uit de Bijbel, 46% een hoogst enkele keer. Conclusie: deze groep zoekt (ook) andere bronnen om bij de leven, zoals genoemde boeddhistische levensovertuiging (30%). De groep is sterk ervaringsgericht en actief religieus. Men zoekt zelf, in vele richtingen, en geeft invulling aan eigen en alternatieve vormen van religieus en ritueel gedrag.
Religieuze ervaring
Boeiend zijn de antwoorden op de vraag naar de ervaring van een hogere macht, kracht of God. Ook op dit onderdeel liggen de percentages positieve antwoorden (net als bij het bidden) ongeveer even hoog als bij de kerkelijke groep. Het hoogst scoort de religieuze ervaring bij het overlijden van iemand (78%), gevolgd door stilte (68%), de natuur (62%), ontmoetingen met mensen (59%) en muziek (55%). Laag is de score van de ervaring van een hogere macht bij een godsdienstige bijeenkomst (34%, tegen een score van 76% in de kerkelijke groep): men heeft het met de kerkdienst wel gehad.
Het blijft niet bij ervaren alleen. De religieuze ervaring is naar eigen zeggen ook van invloed op het gedrag. Men is ontvankelijk en wil zich blijven laten raken. Bij dit aspect scoort ‘geraakt zijn door de schoonheid van de natuur’ het hoogst.
Zoeken
Het rapport omschrijft de religiositeit van de referentiegroep als een zoekreligiositeit. Voor hen geldt: geloven is zoeken. Daarbij speelt de eigen ervaring als gezegd een belangrijke rol. Daarin is het geloof geworteld. Tweederde heeft belangstelling voor vragen naar zingeving. Maar men zoekt graag een eigen antwoord. Daarbij gelooft 29% ‘zeker’ in geluksgetallen, 41% in helderzienden, 30% in horoscopen en 34% in communicatie met de doden. Dit zijn verreweg de hoogste scores van ‘zeker geloven in’ van alle vier de subcategorieën. De referentiegroep lijkt, nuchter beschouwd, behalve ‘sterk gelovig’ ook behoorlijk bijgelovig. Het rapport formuleert voorzichtiger: de niet-kerkelijk sterk gelovigen hechten het meest waarde aan alternatieve vormen van religiositeit en esoterie. Opvallend hoog is ook het geloof in reïncarnatie, van 47% tegenover 10% onder kerkelijk gelovigen.
Beeldvorming
Welk beeld tekent zich uit het onderzoek af? De referentiegroep heeft sterke religieuze interesse, maar voelt zich niet thuis in de kerk. Daarvoor is het aanbod van de kerk voor hen onvoldoende en veel te weinig. ‘Het christelijke weiland is veel te klein voor deze religieuze omnivoren’ (Aart Mak). Bij de behoefte aan religiositeit ligt niettemin een aanknopingspunt.
De gevestigde kerk is voor tweederde het achterland; de breuk met de kerk als gemeenschap lijkt in de meeste gevallen definitief. Men wil zich niet voegen in een voorgegeven traditie, maar zelf een zingevingspakket samenstellen. Cursussen en mindstyle-magazines spelen daar op in. Geloven is zoeken. Daar hoort een meervoud aan bronnen en levensbeschouwelijke tradities bij. Het psychisch welbevinden, waarop populaire tijdschriften als Happinez zich richten, speelt daarbij een centrale rol. De stilte, de natuur, bidden: ze dragen bij aan het psychisch welbevinden, aan de eigen autonomie, authenticiteit en het eigen levensgeluk. Men laat ietsistisch ook de twijfel toe, staat open voor het numineuze, selecteert eigen bronnen, hecht aan geluksgetallen en esoterie en bedenkt eigen vormen en rituelen: dat is de leefwereld van de doelgroep.
Tertiaire organisaties
Het is duidelijk dat de gevestigde kerken niet zomaar kunnen inspelen op de religieuze behoeften van de referentiegroep. Deze dertigers en veertigers zullen hooguit een enkele keer met iets mee doen, en dat van de totale groep nog niet voor de helft. Men zal gevoeliger zijn voor een ‘para-kerkelijk aanbod’ van tertiaire organisaties op de zingevingsmarkt, zoals Kerk zonder Grenzen. De kerken gelden godsdienstsociologisch als secondaire gemeenschappen, naast de primaire kring van het gezin en van relaties. De kerken willen gemeenschap beoefenen en sociale warmte overbrengen. Daarvoor heeft deze groep geen belangstelling. Men is doe-het-zelver. Men is niet uit op face-to-face relaties of kerkelijke gemeenschap, maar is eclectisch, momentaan en naar behoefte geïnteresseerd in wat spelers op de religieuze zingevingmarkt te bieden hebben. Het eigen psychisch welbevinden is daarbij – ook wel enigszins narcistisch? een belangrijke graadmeter. Men lijkt ook weinig verantwoordelijk te voelen voor het voortgaan van een traditie van geloven.
Behoefte
Het Kaskirapport en Kerk zonder Grenzen kiezen voor een positieve benadering. Kijk nu eens naar deze groep, met zijn ‘dertigersdilemma’ en ‘keuzestress’. Kerkgang en Bijbellezen: traditionele vormen van geloofsbeleving passen daar niet erg bij. Toch heeft men behoefte aan spiritualiteit en zoekt men naar zingeving, authenticiteit en geluk. Kan men hen op deze zoektocht niet tegemoetkomen? Kan voor hen en met hen niet naar nieuwe vormen worden gezocht? Kan men met hen niet mee opschuiven van secundaire naar tertiaire vormen van relatie en contact? De kerken en aan de kerk gelieerde organisaties kunnen op zoek gaan naar een passend aanbod, met bijvoorbeeld spirituele wandeltochten, multimediale vormen, forums, glossy magazines. De kerk zou in ieder geval veel meer aan relatiebeheer moeten doen en meer doelgericht en met een passend aanbod moeten werken, dat aansluit bij de levensbehoefte.
Reacties
Wie slaat de brug, aldus Aart Mak, radiopastor van Kerk zonder Grenzen, tussen ‘Jezus is Heer’ en ‘er is meer tussen hemel een aarde’: tussen kerkelijk geloof en serieus ietsisme, zonder deze twee groepen onder één paraplu te willen vangen?
Tom de Haan, werkzaam bij de IKON en eveneens aanwezig bij de presentatie van het Kaskirapport’ waarschuwde dat het ‘geen gemakkelijk volkje’ is, ‘deze zinzoekers van dertigers en veertigers op het web’. Anderzijds, tegen achtergrond van vanzelfsprekende ‘broeder- en zusteraspiraties’ en van een situatie waarin ‘de meeste kerkelijke gemeenten meer uitzien naar de komst van jongeren dan naar de komst van het koninkrijk Gods’, is het de moeite waard met de eigen tijdgenoten, niet kerkelijk, maar wel gelovig, in gesprek te gaan over wat hen raakt en beweegt.


